WMO convenant van Verbond van Verzekeraars en Gemeenten

In augustus 2015 hebben de verzekeraars en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een overeenkomst gesloten naar aanleiding van het feit dat in artikel 2.4.3. van de WMO 2015 is bepaald dat de gemeente een regresrecht heeft op de schadeplichtige voor de kosten die de gemeente heeft gemaakt op grond van de WMO 2015. Op grond van artikel 2.4.4. van de WMO 2015 heeft de VNG de bevoegdheid om een overeenkomst te sluiten met verzekeraars waarbij een afkoopsom wordt betaald voor dit regresrecht. Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van 2 jaar. Elf gemeenten hebben er voor gekozen deze overeenkomst niet te ondertekenen. In de oude WMO was geen bepaling opgenomen omtrent het regresrecht.

Wat is het belang van deze overeenkomst voor de letselschadepraktijk? In hoeverre is het convenant van invloed op de rechten van gelaedeerden die hun schade verhalen op een verzekeringsmaatschappij?

Verzekeraars beroepen zich op deze overeenkomst en stellen dat zij de schade van  de benadeelde, zoals kosten voor huishoudelijke hulp, aanpassingen van woningen et cetera, niet hoeven te vergoeden, althans dat de benadeelde éérst een beroep moet doen op de WMO 2015. In dit memo stellen wij ons op het standpunt dat de benadeelde niet gehouden is  om uit hoofde van de schadebeperkingsplicht een beroep te doen op de WMO 2015 indien hij schade lijdt als gevolg van een ongeval waarvoor de verzekeraar aansprakelijk is. De overeenkomst tussen de verzekeraars en de gemeenten raakt de vergoedingsplicht van de verzekeraars jegens de benadeelde in beginsel niet. Het is een overeenkomst tussen de verzekeraars en de VNG en kan om die reden niet in de rechten van benadeelden treden.

De verzekeraar beroept zich naast het argument van de voorliggende voorziening nog op de schadebeperkingsplicht van de benadeelde (art. 6:101 BW) en stelt dat de benadeelde ook om die reden gehouden is om een beroep te doen op de WMO.

Het uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat het slachtoffer zo veel mogelijk gebracht moet worden in een positie zonder dat de schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben plaatsgehad (met andere woorden: herstel in de oude situatie). Schade dient daarnaast volledig vergoed te worden. Het gaat om het herstel in de oude feitelijke situatie, aansluitend op de  levensstandaard van de benadeelde en passend voor zijn situatie. Het slachtoffer hoeft geen genoegen te nemen met de goedkoopste voorziening  (zie o.a. Hof Leeuwarden 30 december 1998, VR 1999,66). Het slachtoffer heeft recht op adequate hulp en sociale voorzieningen zijn voor het slachtoffer niet altijd adequaat ( zie o.a Hof Amsterdam 25 juni 1998, VR 1999,65).

Het uitgangspunt in de WMO 2015 is, net als voorgaande sociale wetgeving (WMO-oud en AWBZ), dat men ”weer mee kan doen.” Dat is duidelijk een ander criterium dan  “herstel in de oude situatie”. De WMO kent dan ook diverse restricties. Bij een beroep op een voorziening krachtens de WMO  is sprake van een zeer lange wachttijd  en er wordt een beperkte indicatie gehanteerd. Er moet sprake zijn van een verzoek om gebruikelijke zorg. Indien er sprake is van mantelzorg komt men niet in aanmerking voor een voorziening krachtens de WMO. Er zijn derhalve vele situaties denkbaar dat een benadeelde bij een beroep op de WMO een beperkte voorziening toegewezen krijgt. Denk bijvoorbeeld aan de toekenning van huishoudelijke hulp; men krijgt wel hulp toegewezen van de gemeente, maar slechts voor enkele uren per week, terwijl de vraag aantoonbaar groter is. In de loop der jaren zijn de voorzieningen die de gemeente verschaft alleen maar beperkter en basaler geworden, zodat het letselschade slachtoffer bij een beroep op de WMO regelmatig minder hulp krijgt dan hij of zij eigenlijk nodig heeft om weer in de oude situatie te raken. De levenspartner van de gelaedeerde zal vaak moeten bijspringen als het om huishoudelijke hulp gaat (mantelzorg). Een deel van de hulpvraag wordt dus afgewenteld op de partner. Al met al zijn de voorzieningen die de WMO biedt beperkt en biedt de WMO niet steeds een goede voorziening. Om die reden is de benadeelde ook niet steeds gehouden om een beroep te doen op de WMO. Het niet benutten van de WMO mogelijkheden kan, in het geval de WMO tot een minder passende voorziening lijdt, niet leiden tot het verwijt dat men er in het kader van de schadebeperkingsplicht verplicht een beroep op moet doen.

Stel dat het slachtoffer er toch voor kiest een beroep te doen op de WMO en dat de uitkomst is dat de WMO slechts gedeeltelijk een voorziening biedt voor de hulpvraag van de benadeelde. Zijn de verzekeraars in dat geval gehouden om afgezien van de WMO voorziening nog extra voorzieningen te bekostigen? Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de gemeente een indicatie afgeeft voor 2 uur hulp per week, terwijl de benadeelde kan motiveren minstens 6 uur hulp per week nodig te hebben om in zijn oude situatie herstel te worden. Is het slachtoffer dan gehouden van én de WMO huishoudster gebruik te maken en daarnaast nog een andere hulppersoon in huis te ontvangen voor de resterende uren? Of mag het slachtoffer de WMO naast zich neerleggen en kiezen voor een particuliere hulp die meteen de totale hulpvraag invult? Het antwoord luidt dat een en ander toch naar redelijkheid besloten moet worden en dat primair gekeken moet worden naar de behoefte van het slachtoffer. De WMO voorziening is niet alles omvattend, sluit een benodigde aanvullende voorziening niet uit en de WMO voorzieningen kan onder omstandigheden zelfs helemaal buiten beschouwing worden gelaten als daardoor geen adequate voorziening wordt geboden.

In 2004 publiceerde Hartlief een artikel met de titel “Keuzevrijheid in het personenschade recht” (NJB 2004 p. 1832 e.v.) In dit artikel wordt ingegaan op de vraag of de benadeelde gebruik moet maken van de AWBZ voorzieningen omdat de verzekeraars de regressiemogelijkheden hebben afgekocht. Hoewel het hier een artikel betreft van 12 jaar geleden is het opnieuw actueel. Ook nu beroept de verzekeraar zich op een convenant met de gemeenten waarbij de verzekeraar de regresmogelijkheden heeft afgekocht. Hartlief stelt dat het aansprakelijkheidsrecht uitgaat van een volledige vergoeding en het sociaal zekerheidsrecht per definitie een beperkte vergoeding betreft, zowel in omvang als in tijd. Niet in het geding is dat het slachtoffer geen genoegen hoeft te nemen met zorg als dat voor hem niet passend is. Waarom zou dit dan anders zijn, aldus Hartlief, als de aansprakelijke partij met een derde partij afspraken heeft gemaakt over de onderlinge rechtsverhoudingen?

De indruk bestaat dat verzekeraars de indicatiestelling door gemeenten (die zoals hierboven gesteld vaak beperkt is) als maat willen nemen voor de door de verzekeraar te vergoeden hoeveelheid hulp die het slachtoffer vergoed krijgt. Dit is echter te kort door de bocht als de WMO voorziening niet of niet volkomen tegemoet komt aan het recht van het slachtoffer op volledige schadevergoeding en herstel in de oude situatie.

Het LSA symposium in 2004 was geheel gewijd aan het onderwerp “Schade: Vergoeden of beperken?”.   Lindenbergh geeft in zijn bijdrage aan dat het slachtoffer geen genoegen hoeft te nemen met de goedkoopste voorziening of met de door de overheid verboden vangnet van sociale zekerheid. In de bijdrage van Mr. Chris van Dijk wordt  uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen de sociale zekerheid wetgeving en de civiele aansprakelijkheid. Hij geeft een genuanceerd oordeel maar geeft wel aan dat, nu de aansprakelijkheidsverzekeraars regres hebben afgekocht, het redelijk lijkt dat de benadeelde van de desbetreffende verstrekkingen gebruik maakt. Omdat de verzekeraars immers voor deze verstrekkingen in wezen al hebben betaald. Mijns inziens mag het afkopen van het regres niet de reden zijn dat de benadeelde gehouden is om op grond van zijn schadebeperkingsplicht een beroep te doen op die sociale voorzieningen, zeker als deze niet adequaat zijn.

In de letselschadepraktijk legden de verzekeraars zich er de afgelopen jaren bij neer dat voorzieningen in de sociale wetgeving zelden passend en adequaat waren voor de betrokken slachtoffers. Er werd steeds een maatwerkvoorziening voor het slachtoffer bekostigd. Nu echter het regresrecht in de WMO is opgenomen en het convenant is gesloten tussen het Verbond van Verzekeraars en de gemeenten, lijkt de discussie weer een nieuw leven te zijn ingeblazen. Gezien het bovenstaande is de vraag of dit terecht is.

In dit verband wijzen wij naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland d.d. 11 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6968) waarin het slachtoffer vergoeding vorderde van gemaakte kosten voor voorzieningen zoals huishoudelijke hulp en kosten voor verzorging/verpleging. De tegenpartij (in de uitspraak een geweldpleger) verweerde zich onder andere met de stelling dat het slachtoffer voor een vergoeding van die kosten een beroep had moeten doen op de WMO. De rechtbank wees dit verweer af met de argumentatie dat het de benadeelde vrij staat om schade op de aansprakelijke partij te verhalen. De rechtbank stelde dat de  WMO juist wijst op de eigen verantwoordelijkheid van burgers, hetgeen ertoe leidt dat burgers pas een beroep kunnen doen op de WMO (overheid) in situaties die door burgers zelf onmogelijk kunnen worden geregeld. De rechtbank was derhalve de mening toegedaan dat het verhaal op de aansprakelijke partij zelf voorgaat en dat de overheidsvoorzieningen pas in beeld komen als de aansprakelijke partij zelf geen verhaal biedt.

De rechtbank Gelderland verwijst in de bovengenoemde uitspraak nog naar een uitspraak van de  Centrale Raad van Beroep, die in een uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRvB:2013:776) heeft geoordeeld dat een slachtoffer geen recht heeft op een vergoeding krachtens de WMO omdat er sprake was van een aansprakelijke partij, die voor deze kosten aansprakelijk was.

Weliswaar zijn bovengenoemde uitspraken niet gewezen in situaties waarin de WMO 2015 van kracht was, maar dat doet ons inziens niet af aan het oordeel in de huidige situatie. Hierboven hebben wij immers al betoogd dat het enkele feit dat er nu een regresrecht in de WMO is opgenomen en dat het Verbond van Verzekeraars en de gemeente een onderlinge afspraak hebben gemaakt, nog niet betekent dat de benadeelde zich door die afspraken moet laten leiden en dat de schadebeperkingsplicht niet leidt tot de situatie dat het slachtoffer verplicht gebruik moet maken van de WMO als de voorzieningen die de WMO biedt niet passend of niet volledig zijn.

Wij vrezen echter dat het bovenstaande onderwerp weer een veel voorkomend discussiepunt zal worden in letselschadezaken. Dit memo kan richting geven aan de discussie. Wij voorzien dat op niet al te lange termijn deelgeschilprocedures zullen volgen over dit onderwerp.

Ed Klungers

Jolanda van der Winden

namens de commissie Toegang tot het Recht van ASP

Het convenant is te vinden via: https://www.verzekeraars.nl/overhetverbond/zelfregulering/Paginas/Convenanten/Convenant-WMO.aspx

 

Geplaats in Strubbelingen met verzekeringsmaatschappijen |

Ontbinding koop pony met zadeldwang en singelnijd

Het gerechtshof in Den Bosch heeft onlangs een uitspraak gedaan over de ontbinding van de koop van een pony, die uitdrukkelijk was aangeprezen als een zeer kind vriendelijke pony met goed eigenschappen in de dressuur in de wat hogere klasse en die ook zou kunnen springen. De pony bleek helaas na de verkoop ernstige zadeldwang en singelnijd te vertonen en vertoonde gevaarlijk gedrag (steigeren) voor de nieuwe 12-jarige ruiter.  Na onderzoek door een deskundige bepaalde de rechter dat de koop moest worden ontbonden. Weer een uitspraak in de serie over ontbinding bij een pony die niet aan de gestelde gebruikseisen voldoet (non-conformiteit).

Zie ook: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:849

 

Geplaats in Overige aspecten letselschade |

Regeling voor (voormalig) Defensiepersoneel chroom 6

Defensie heeft samen met de vakbonden een regeling opgesteld voor (voormalig) Defensiemedewerkers die mogelijk ernstig ziek zijn geworden door het werken met chroom 6 houdende stoffen. De regeling ging in op 1 maart 2015.

Het duurt lang voordat het onderzoek naar het werken met onder meer chroom 6 tot resultaat leidt. Voorlopig wordt door Defensie, in afwachting van uitkomsten van onderzoek, op basis van de regeling een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.  In aanvulling op een financiële tegemoetkoming kunnen de (voormalige) werknemers ook ondersteuning krijgen. De omvang van de tegemoetkoming wordt bepaald op basis van de ernst van de aandoening en varieert van 3.000 tot maximaal 15.000 euro voor ernstig zieken. In deze gevallen zijn sterke aanwijzingen dat werken met chroom 6 de ziekte kan hebben veroorzaakt. De aandoeningen in deze regeling zijn afgeleid van een advies van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.

De regeling betekent niet dat Defensie aansprakelijkheid erkent. Daarvoor wil de minister eerst het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu afwachten.

Het is belangrijk dat u alvast een beroep doet op de regeling en daarnaast Defensie ook formeel aansprakelijk stelt. Defensie kan mogelijk een verjaringsverweer gaan voeren.

Zie ook: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2015/03/02/regeling-voor-voormalig-defensiepersoneel-chroom-6.html?utm_source=e-mailnieuwsbrief&utm_medium=email&utm_campaign=Regeringsnieuws

 

 

Geplaats in Overige aspecten letselschade |

Schadevergoeding zorginstelling psychiatrie

Als u niet tevreden bent over de zorginstelling (psychiatrisch ziekenhuis of verpleegtehuis) waar u of uw naaste familie als patiënt ernstig letsel hebt/heeft opgelopen tijdens uw verblijf in de instelling, zijn er dan mogelijkheden om een schadevergoeding van die instelling te vorderen?

Ja, zeker, onder omstandigheden is het mogelijk de instelling aansprakelijk te stellen en kan de patiënt een schadevergoeding vorderen.

Hieronder worden enkele voorbeelden genoemd van schadevergoedingen die werden gevorderd van een psychiatrische instelling, zodat u een idee krijgt wat er zoal speelt in de rechtspraak. Ik beperk mij tot recente voorbeelden van de afgelopen paar jaar.

- een voormalig patiënt van een psychiatrische inrichting vorderde schadevergoeding van de psychiatrische instelling, waar hij op basis van een IBS gedwongen opgenomen is geweest. Er bestond gevaar dat hij zichzelf zou verwonden of doden. De patiënt was tijdens zijn verblijf in de inrichting ontsnapt. Hij is daarna naar een treinrails gegaan, heeft zijn armen erop gelegd, waarbij deze door een passerende trein zijn afgesneden. Dit gedrag was nu juist het gedrag waarvoor gevreesd werd voor de opname. De man verweet de instelling achteraf dat er onvoldoende toezicht op hem werd gehouden, waardoor hij kon ontsnappen en hij niet tegen zichzelf kon worden beschermd. De vordering werd echter afgewezen omdat de rechtbank het feit van onvoldoende toezicht houden en de gang van de man naar de spoorrails niet direct aan elkaar gelinkt waren (juridisch: het causaal verband ontbrak) omdat er 69 dagen waren verstreken nadat de man was ontsnapt en de dag waarop hij het letsel opliep. De vordering werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door de rechtbank Groningen op 23 februari 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6803 )

- In 2013 is een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat een psychiatrische inrichting door de rechter aansprakelijk werd geacht voor zelfverbranding van een patiënt. De door de rechtbank benoemde deskundige stelt dat tegenwoordig aan de hand van checklists een betere inschatting dan vroeger kan worden gemaakt over de kans op suïcide door een patiënt. Een dergelijke risico inventarisatie was niet goed bijgehouden door de instelling en deels ook genegeerd door de instelling zelf. De patiënt was kort voor de zelfverbranding juist meer vrijheden gegeven en mocht de patiënt naar buiten, waar uiteindelijk de suïcide heeft plaatsgevonden. De geraadpleegde deskundige vond het beleid van de instelling onder de maat. In deze zaak was de eiser overigens de zorgverzekeraar die probeerde de gemaakte medische kosten te verhalen op de instelling en die daar dus in slaagde. De uitspraak geeft in zijn algemeenheid echter aan dat een instelling aansprakelijk kan worden geacht voor een (poging tot ) suïcide.  Zie: ECLI:NL:RBAMS:2014:7140

- een vrouw had zichzelf letsel toegebracht tijdens een verblijf (aanvankelijk vrijwillig opgenomen, later omgezet in IBS). Tijdens het verblijf op grond van de IBS is zij van een kast gesprongen en heeft zij beide onderbenen gebroken. Het letsel aan de benen was ernstig; een algeheel herstel waarbij zij de complete loopfunctie terug zou krijgen, viel niet meer te verwachten. De vrouw verweet de instelling dat men haar onvoldoende gecontroleerd had en dat zij te lang zonder toezicht gebleven was, terwijl zij blijkens het dossier al eerder zichzelf verwond had en bij nachtelijke controles vaak wakker was. Ook verweet de vrouw de psychiatrische instelling dat men na het constateren van hetgeen er gebeurd was, onvoldoende medische zorg had verleend. De vrouw vordert schadevergoeding van de psychiatrische instelling. De rechtbank benoemt een onafhankelijke psychiater die opdracht krijgt de rechtbank voor te lichten over hetgeen in zo’n situatie gebruikelijk en haalbaar is op het gebied van toezicht en het voorkomen van letsel. In deze zaak is nog geen einduitspraak gedaan (zie: ECLI:NL:RBOVE:2014:6220 ). Uit andere voorbeelden uit de rechtspraak blijkt echter dat als de deskundige tot de conclusie komt dat de zorg en het toezicht ondermaats was, er dan substantiële letselschadevergoedingen kunnen worden toegewezen.

- een bewoner van een instelling voor geestelijk gehandicapten vorderde schadevergoeding van de zorginstelling, die volgens de bewoner onvoldoende maatregelen had getroffen om te voorkomen dat de bewoner seksueel werd misbruikt door een andere bewoner.  De rechter heeft de zaak beoordeeld en was met de bewoner eens dat de zorginstelling onvoldoende had gedaan om het misbruik te voorkomen. Hierbij was van belang dat de pleger pedofiele neigingen had en dat dit bekend was bij de zorginstelling en dat er eerder toezeggingen waren gedaan om de dader strenger zou begeleiden. De zorginstelling moest uiteindelijk € 5.000,– smartengeld betalen aan de bewoner die slachtoffer was geworden van het misbruik en daarnaast diende gemaakte kosten vergoed te worden. Zie: ECLI:NL:RBROT:2014:2975 .

- een 21-jarige jongen heeft een schadevergoeding gevorderd van een jeugdinstelling omdat hij tien jaar lang in verschillende instellingen voor verstandelijk gehandicapten heeft verbleven. De jongen was van mening dat niet adequaat was opgetreden, dat niet vlot genoeg de juiste diagnose was gesteld en dat hij op diverse adressen had verbleven en niet snel genoeg op de juiste plek terecht was gekomen.  De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van de jongen beoordeeld en heeft via een uitspraak van 3 december 2014 (zie: ECLI:NL:RBAMS:2014:8151) geoordeeld dat de zorginstelling niet tekort was geschoten in haar zorg voor de jongen. De jongen was onder de zorg van de instellingen terecht gekomen nadat hij als 4-jarige bij zijn moeder vandaan was gehaald. Zijn moeder was een psychiatrisch patiënte met ernstige klachten en de jongen had een enorme ontwikkelingsachterstand. Het bleek een enorm gecompliceerde situatie en de jongen ging van instelling naar instelling. De rechter oordeelde na grondig onderzoek dat de betrokken instelling(en) toch al het mogelijke hadden gedaan om de jongen zo goed mogelijke zorg te bieden. Er werd derhalve geen schadevergoedingverplichting opgelegd. De advocaat van de jongen had allereerst een verklaring voor recht gevraagd dat de instelling tekort was geschoten in haar zorg. De rechtbank wees dit af waarom niet werd toegekomen aan de vraag hoe hoog een eventuele schadevergoeding dan zou moeten zijn.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat het met succes aansprakelijk stellen van een zorginstelling in de psychiatrie moeilijk is, veel moeite en doorzettingsvermogen kost, maar onder bepaalde omstandigheden zeker mogelijk is. Heeft u forse schade opgelopen tijdens of kort na uw verblijf in een psychiatrische instelling, informeert u dan bij een advocaat naar de mogelijkheden voor een schadevergoeding. Met forse schade wordt bedoeld: opgelopen ernstig letsel of grote materiële schade doordat u forse kosten heeft moeten maken. Wilt u meer weten over uw mogelijkheden mailt u dan met: jvanderwinden@maet.nl of belt u 0294 262710.

 

 

Geplaats in psychiatrisch patientenrecht |

Deelgeschil over de aansprakelijkheid voor letsel veroorzaakt door een paard

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 26 november 2014 een beschikking gewezen aangaande de aansprakelijkheid van een paardeneigenaar voor schade die is verzaakt door haar paard. Ik trad op voor een vrouw die onder de voet was gelopen door dat paard.

Wat was er aan de hand? Twee dames die allebei paarden hadden gestald op een pensionstal hielpen elkaar regelmatig bij het naar de paddock brengen van de paarden. Daarbij leidden zij dan elk een paard aan een halster door de stal gang naar de uitgang en door naar de paddock. Zij leidden daarbij ook regelmatig het paard van de ander. Op een goede dag ging dit niet goed. Het paard dat door de voorop lopende vrouw werd geleid (en die eigendom was van de andere vrouw) maakte een onverwachte en voorwaartse beweging; het paard sprintte plotseling snel naar voren en liep zijn begeleidster daarbij volledig onder de voet. Deze begeleidster hield daar ernstig letsel aan over en stelde de andere vrouw in haar hoedanigheid van eigenaresse van het paard aansprakelijk voor het letsel op grond van art. 6:169 BW, het wetsartikel uit het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat eigenaren aansprakelijk zijn voor schade die is veroorzaakt door hun dier. Het betreft een zogenaamde risico aansprakelijkheid, wat inhoudt dat voldoende is dat het paard met zijn eigen energie schade heeft veroorzaakt. Deze aansprakelijkheid wordt dus al snel aangenomen als een paard iemand onder de voet loopt of trapt. Het verweer van de eigenaresse bestond er echter uit dat de plotselinge en onvoorziene voorwaartse beweging van haar paard nu juist werd veroorzaakt door gedrag van de paarden van de vrouw die het letsel opliep. Daarbij was van belang dat de dames met de paarden door de stal naar de uitgang moesten lopen via een gangpad. De paarden die in de stallen stonden die gepasseerd moesten worden en die eigendom waren van de vrouw die uiteindelijk viel, waren volgens de eigenaresse van het paard dat naar voren was gerend, nu juist de aanleiding voor het gedrag van haar paard. Deze hengsten zouden agressief hebben uitgehaald naar het passerende paard en zouden het andere paard angst hebben aangejaagd, aldus de eigenaresse van het wegsprintende paard. Met andere woorden; de onder de voet gelopen vrouw werd eigen schuld  verweten. Tijdens de zitting werden beide dames gehoord door de rechter en bepaalde de rechter dat dit verweer geen houdt sneed. De eigenaresse kon niet bewijzen wat de reden was van het feit dat haar paard plotseling naar voren stoof en al helemaal niet dat de andere vrouw (die onder de voet werd gelopen) daar invloed op had gehad of debet aan was. Eigen schuld was volgens de rechter niet aan de orde.

De rechter achtte de eigenaresse van het naar voren schietende paard daarom volledig aansprakelijk voor de letselschade van de andere vrouw.

Door de uitspraak is nog eens bevestigd dat het feit dat de een de ander vrijwillig helpt , die ander nog niet ontslaat van zorgplicht. De eigenaresse van het naar voren schietende paard zal de aansprakelijkheid zelf overigens niet voelen, in die zin dat zij een WA verzekering voor particulieren had, die uiteindelijk de schadevergoeding zal moeten betalen.

De deelgeschillen procedure is een korte en relatief snelle procedure waarin bepaalde knopen kunnen worden doorgehakt door de rechter die een onderdeel zijn van de totale problematiek die geregeld moet worden. Na ontvangst van de uitspraak moeten partijen nu zelf verder om de (letsel)schade te begroten en overeenstemming te bereiken over de hoogte van de schadevergoeding. Die is in dit geval fors omdat de onder de voet gelopen vrouw dusdanig letsel heeft opgelopen dat zij haar werk als zelfstandige nauwelijks meer kan uitvoeren. Zij mist door haar arbeidsongeschiktheid inkomen.

De uitspraak is te vinden via: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-midden-nl-261114, en via www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2014:6750

Bij het bovenstaande is van belang dat er geen sprake was van ‘schuld’ bij de eigenaresse van het paard. Die had het onvoorspelbare gedrag van haar paard op dit punt immers ook niet in de hand. Wel prettig voor haar dat zij een beroep kon doen op haar WA-verzekering. Daardoor ontstond er geen persoonlijke wrok tussen de partijen en kon de schade op financieel gebied in ieder geval geregeld gaan worden.

 

Geplaats in Aansprakelijkheid voor paarden |

Juridische hulp voor nabestaanden ramp MH17

Wij wensen alle nabestaande van de slachtoffers van de ramp met vlucht MH17 veel sterkte bij de verwerking van hun verdriet. Indien u informatie wenst of hulp bij het regelen van een schadevergoeding, kunt u contact met mij opnemen. U hoeft zich daartoe niet te haasten omdat u juridisch gezien lang de tijd heeft de schadevergoeding te vorderen. Er zijn daarnaast nog vele juridisch onzekerheden. Het is wel mogelijk een voorschot op de schadevergoeding te ontvangen van Malaysia Airlines, die op grond van luchtvaartregelen, gehouden is tot betaling van een – gemaximeerde – schadevergoeding. Meer informatie kunt u – vrijblijvend – bij mij inwinnen.

Zie ook de berichtgeving van de Orde van Advocaten.

en de informatie op de website van de Vereniging voor Letselschade Advocaten LSA, www.lsa.nl

 

Geplaats in Overige aspecten letselschade |

Keurmerk van de Orde van Advocaten

Alle letselschade advocaten bij Maet Advocaten zijn lid van de specialisatieverenigingen LSA en ASP (zie www.lsa.nl en www.asp-advocaten.nl). Op 27 september 2013 ontvingen beide verenigingen uit handen van de nieuwe deken van de NOvA de heer Walter Hendriksen het NOvA keurmerk specialisatieverenigingen. Zie voor alle informatie over het keurmerk op de NOvA website.

Dit betekent voor u als rechtzoekende dat u zekerheid krijgt over de kwaliteit bij de letselschade advocaten bij Maet Advocaten. Wij voldoen aan de hoogste kwaliteitseisen en staan garant voor de beste behandeling van uw letselschade dossier. U kunt de behandeling van uw letselschade dus met een gerust hart aan ons overlaten!

Geplaats in Overige aspecten letselschade |

Rechtbijstandsverzekering en vrije advocatenkeuze

Heeft u een rechtsbijstandsverzekering bij DAS Rechtsbijstand, Arag, Achmea Rechtsbijstand of een andere verzekeringsmaatschappij en wilt u zelf uw advocaat kiezen bij het voeren van een gerechtelijke procedure om uw letselschade af te wikkelen? Dat kan sinds kort. Een verzekerde van DAS rechtsbijstand had een procedure tegen DAS gestart omdat hem het recht op vrije advocatenkeuze was ontzegd door DAS; hij mocht van DAS alleen gebruik maken van de hulp van de eigen juristen in dienst van DAS. In de procedure heeft de Nederlandse rechter uitleg had gevraagd aan het Europese Hof van Justitie over de uitleg van Europese normen over dit onderwerp. De uitleg is gegeven bij beslissing van het Europese Hof van Justitie d.d. 7 november 2013. Uit deze beslissing blijkt dat DAS zijn verzekerden een vrije advocatenkeuze moet toestaan en dat dit ook geldt voor kwesties waarin bijstand van een advocaat in een procedure niet verplicht is. Er zijn dus mogelijkheden om uw rechtsbijstandsverzekering te gebruiken voor hulp van een letselschade advocaat als u moet onderhandelen over een schadevergoeding of als u moet procederen over de aansprakelijkheid, het causaal verband of de hoogte van de schadevergoeding. Dit kan bij schade na verkeersongevallen, medische fouten, beroepsziekten, bedrijfsongevallen en andere ongevallen.

Heeft u letselschade en wilt u gespecialiseerde hulp van mij als gespecialiseerde letselschade advocaat, maar aarzelt u of u of uw rechtsbijstandsverzekeraar deze hulp wel zal vergoeden, informeert u dan even bij mij zodat ik dat voor u kan regelen.

 

 

Geplaats in Overige aspecten letselschade, Strubbelingen met verzekeringsmaatschappijen |

Uitspraak Hof Amsterdam 26 maart 2013: whiplash, oordeel na deskundigenbericht: klachten zijn ongevalgevolg

Namens een cliënt procedeer ik al een aantal jaren tegen verzekeringsmaatschappij London Verzekeringen over de gevolgen van een verkeersongeval in 2003. Mijn cliënt heeft whiplashklachten opgelopen door het ongeval. Hij heeft jarenlang ernstig last gehad van deze klachten en kon er jarenlang niet door werken. De klachten zijn zowel lichamelijk als psychisch van aard. De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van mijn cliënt tot schadevergoeding een paar jaar geleden afgewezen omdat mijn cliënt niet zou kunnen bewijzen dat hij door het ongeval klachten zou hebben opgelopen die een schadevergoeding zouden rechtvaardigen. Daarop heb ik voor mijn cliënt hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam.

Bij eerder tussenarrest heeft het Hof beslist dat mijn cliënt vóór het ongeval van 2003 geen gezondheidsklachten had en dat hij kort na het ongeval gezondheidsklachten ontwikkeld had die kunnen wijzen op een postwhiplashsyndroom. Door het hof was een deskundigenbericht gelast om te onderzoeken of er voor de klachten een andere oorzaak was aan te wijzen dan het ongeval. Het hof concludeert op basis van het deskundigenbericht dat de gezondheidsklachten van benadeelde in een rechtens relevant oorzakelijk verband staan met het ongeval. De psychiater die mijn cliënt onderzocht heeft noemde de klachten niet ‘whiplash’ maar stelde de diagnose ‘aanpassingsstoornis’.

Uit de rechtspraak blijkt dat de rechterlijke macht het juridisch lastig vindt om een causaal verband te leggen tussen whiplash-achtige klachten en een ongeval. Dit heeft te maken met het feit dat whiplash-achtige klachten, die verschillende uitingsvormen hebben, meestal niet makkelijk aan te tonen zijn middels medische onderzoeksmethoden (oftewel niet objectiveerbaar zijn, zoals men in juridische taal zegt). De rechtbanken en gerechtshoven in Nederland varen deels een verschillende koers op het gebied van whiplash. Van het gerechtshof te Amsterdam was er geen recente uitspraak voorhanden op het gebied van whiplash. Daar is nu verandering in gekomen. Het lijkt erop dat het Hof in Amsterdam best wil aanvaarden dat een slachtoffer van een ongeval whiplash-achtige klachten overhoudt aan een ongeval en dat deze ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Het Hof heeft echter moeite met de term ‘whiplash’ zodat er in deze zaak een oplossing kwam toen de psychiater de klachten onder de noemer ‘aanpassingsstoornis’ plaatste. Toen wilde en kon het Hof de klachten wel relateren aan het ongeval. Mijn cliënt en ik moeten nu verder de discussie aangaan met London over de hoogte van de schadevergoeding. Als wij er onderling niet uitkomen, wordt daar alsnog een gerechtelijke uitspraak over gedaan. Mijn cliënt heeft dus wel een – zeer – lange adem nodig!

Vindplaats op internet van de uitspraak: http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx : LJN nummer: BZ5517. De datum van het Gerechtshof Amsterdam is 26-03-2013.

 

Geplaats in Strubbelingen met verzekeringsmaatschappijen, Verkeersongevallen |

Second opinion letselschade

Regelmatig wordt aan mij gevraagd of ik een second opinion kan geven over een lopend letselschade dossier. Wij doen dit regelmatig en het is in principe ook mogelijk een lopend dossier over te nemen als de behandeling door een andere letselschadebehandelaar te wensen over laat. Wij zien regelmatig dat dossiers niet adequaat behandeld worden door letselschade bureaus (hier werken meestal geen advocaten aan uw dossier) of advocaten die niet gespecialiseerd zijn in letselschade. Hiermee neemt u grote risico’s en uw kansen op een maximale schadevergoeding nemen af bij behandeling door een niet deskundige en niet doortastende letselschadebehandelaar! Er wordt regelmatig niet goed aan dossieropbouw gedaan. De medische informatie blijkt dan niet volledig te zijn opgevraagd of de schadeposten zijn niet goed bijgehouden. Dit kan tot grote problemen bij de afwikkeling van een letselschade dossier lijden, met name als het letsel langduriger of ernstiger blijkt te zijn dan aanvankelijk werd ingeschat. Overigens blijkt uit de praktijk dat overname van een dossier regelmatig gewenst wordt omdat de manier van communicatie tussen het slachtoffer en de letselschadebehandelaar ver onder de maat is. Iets duidelijk en eenvoudig kunnen uitleggen, goed telefonisch bereikbaar zijn en werkelijke en voldoende aandacht aan iemand besteden, is kennelijk geen vanzelfsprekende service. Mocht u twijfelen of uw dossier wel goed aangepakt wordt, dan kunt u bij mij informeren naar de mogelijkheden. Indien de verzekeringsmaatschappij aansprakelijkheid heeft erkend, is overname van een dossier meestal mogelijk zonder dat dit kosten voor u veroorzaakt. Twijfelt u of u wel de maximaal haalbare schadevergoeding krijgt, tekent u dan nooit een vaststellingsovereenkomst, maar vraagt u eerst een second opinion.

 

Geplaats in Overige aspecten letselschade |